Uit: Minnewake, bundel korte verhalen
Fragment uit ´Venetiaans Zandkasteel`
180 blz. uitgeverij Ralicon
met illustraties van de schrijfster
paperback  prijs e 12,50  Bestellen bij Suribooks

 

VENETIAANS ZANDKASTEEL

Anno 1780

Duivels dansen, dat weet iedereen. En vanavond, wanneer de honderden toortsen op de Piazza San Marco en bij het Paleis van de Signorie zouden worden aangestoken, begon het bal, het Carnaval waar de bevolking van Venezia zich al de lange, mistige herfst op had verheugd.

De stad verkeerde in feestroes, haar gevels kleurig gedecoreerd met lange lappen Oriëntaalse stof. Op de campi waren triomfbogen en podia gebouwd en toneelspelers hadden hun tenten opgezet. Groepen muzikanten en feestelingen trokken door de straten en verkopers van maskers, waaiers en frittelle deden goede zaken.

Niet dat in alle opwinding en feestgewoel, de eerzame burgers gezelschap van de Duivel op prijs stelden, integendeel, het gemaskerd bal was bij uitstek geschikt om konkelende schaduwen te verjagen, en de spinsels van getormenteerde geesten, en de Duivel en zijn kompanen te verleiden uit het duister te treden, opdat men ze in kon sluiten en verdrijven, deze hellewezens, naar hun eigen oorden van gruwel. Dat het nieuwe jaar dan verschoond mocht blijven van pesterijen, pech en pokken, en een ieder een rein begin wachtte.

 

Met een zucht borg Serenella de klossen kant en gouddraad weg, het werk in het atelier van Madame Ginevra zat er op, het was weer gelukt om de baljurken op tijd af te leveren. En wel volgens de nieuwste Parijse mode, daar ging Madame prat op.

In de middag waren de klanten gearriveerd voor de allerlaatste passessie, waarbij strikken en strengen edelstenen hun definitieve plaatsing kregen, met het beoogde effect de schoonheid van de draagster te vergroten. De paniers werden over wijde hoepels gedrapeerd en de fijne dames bepoederd, bepruikt en gesnoerd in hun korsetten, waren gereed voor het festijn. Als assistente van Madame Ginevra hield Serenella alles in de gaten, haastte zich van de ene naar de andere klant, gaf de naaisters aanwijzingen en droeg het jongste hulpje op om nog een lint te plooien of een poedervlek weg te kloppen.

Toen de klanten vertrokken waren, hun geanimeerde stemmen nog door de deur hoorbaar en het geklik van hun hakken op de keien, was het de beurt aan de meisjes. De modistes en borduursters sloegen hun shawls om, druk babbelend over Carnavalsavond, waar ze zich in hun eigen fraaie japonnen, vervaardigd in schaarse vrije uren, konden vertonen.

In tegenstelling tot de officiële feesten, waar men zich nauwkeurig aan rang en stand diende te houden, kwam met Carnaval iedereen bij elkaar, van edelvrouw tot gondelier, en van koopman tot actrice. Al of niet incognito, onherkenbaar verborgen achter maskers of mantels.

Terwijl Serenella de kaarsen uitblies nam ze in het verlaten atelier achter de kledingrekken een beweging waar, een schim die zich schielijk terugtrok, geritsel achter de lakens. Door de walm van de gedoofde kandelaars turend, trok het meisje voorzichtig een gordijn opzij, hopende dat het geen rat zou zijn die haar aan zou staren met zijn rode ogen; Signorina Ginevra's katten kweten zich doorgaans goed van hun taak.

Maar het was geen rat, of een van de vertroetelde katten van het atelier, in het duister klonk het zachte gejank van een ander dier. Een hond, een grote witte wolfshond trad tevoorschijn, de spieren rollend onder zijn vacht, de lange tong hangend uit de bek. Hijgend klonk de adem van het beest, de nagels aan zijn poten krassend over de vloer terwijl het rusteloos heen en weer liep. Een sterke dierlijke geur drong tot Serenella door. Ze deinsde terug, aan grote verwarring ten prooi, hoe kon een wolf daar in de kelder terecht zijn gekomen?

Vóór ze een kreet kon slaken, Madame had kunnen waarschuwen, was het dier verdwenen. Ze knipperde met de ogen, zocht met de opnieuw aangestoken kaars, maar niets was nog merkbaar van de vreemde verschijning, zelfs geen achtergelaten haar of vochtige pootafdruk, en Serenella bedacht dat het urenlange werken aan de kostbare borduursels, tenslotte zijn tol eiste en gezichtsbedrog meebracht dat van ratten wolven maakte. Het was tijd om af te sluiten. Het was nu háár beurt voor vermaak.

 

De rode japon was schitterend. Het schijnsel van de kaarsen wierp lange schaduwen in de armoedige kamer, terwijl Serenella om de oude paspop draaide en haar creatie bewonderde. Meters vuurrode satijn, afgezet met kant en zilverdraad, mooier dan de hofkleding van een Franse prinses, ook al was niet de algemeen geldende Parijse richtlijn van pasteltinten gevolgd. Tevreden bevoelde Serenella de stof; zo'n prachtige japon was wel een lege maag waard. Het materiaal had, ondanks het afdingen bij de Syrische koopman, een groot deel van haar loon gekost, en vele nachtelijke uren arbeid waren aan het vervaardigen besteed. Maar het resultaat was er wel naar, en in de komende weken zou Serenella stralen als een bloem van vuur, op de bals van de campi, de rode rokken zwaaiend, flirtend naar de cavaliers.

Het moest niet moeilijk zijn een gefortuneerde begeleider voor de duur van het Carnaval te vinden, een aardige heer die haar maaltijden en drank zou betalen, in ruil voor wat gezelschap. Serenella had geen gewetensbezwaar en geen illusies. Haar goede moeder zaliger - altijd ongehuwd gebleven - had haar het vak van modiste geleerd en tijdens het urenlange zomen en stikken, haar levenswijsheid overgedragen. 'Mannen', placht Serenella's moeder te zeggen, 'zien ons als noodzakelijk kwaad, de dure prijs die ze aan de poort van het Vagevuur voor onbeheersbare lusten moeten betalen. Waar ze voor ons slechts een luxe betekenen, de luxe van wijn en kussen, en van weggeborgen herinneringen voor onze oude dag, als de rimpels in de spiegel spottend vertellen van vergeten beloften en eens zo tedere strelingen.'

Het spiegelbeeld vertelde thans een ander verhaal: de hoge wit gepoederde pruik verborg Serenella's eigen zwarte haar, toonde haar pittige gezichtje met de kuiltjes in haar wangen en de gulle mond, door lange pijpenkrullen omlijst. Voorzichtig bevestigde ze een mouche op haar wang, twijfelde of ze er nog één op de boezem zou aanbrengen. Maar onder het met weinig moeite ingesnoerde korset knorde haar maag. Zelfs zo'n tenger figuurtje als dat van Serenella had op zijn tijd wat voedsel nodig. De jonge vrouw sloeg een wollen omslagdoek om haar schouders, hing de waaier aan een koordje om haar pols. Een wit carnavalsmasker tegen het gelaat gedrukt, stapte ze naar buiten, de decemberkou in.