Fragment uit jongerenroman Luchtdanser
Gratis e-book, 223 blz.
Downloaden

ISBN: 978-94-92182-81-4

De vroege ochtendzon scheen over de daken. Het silhouet van puntige daken en torenspitsen tekende zich duidelijk af tegen de witte lucht. De zomerdag maakte schoorvoetend haar entree, Amsterdam ontwaakte langzaam. De vogels hadden al bij dageraad hun nesten in kozijnen en dakgoten verlaten en vlogen in luidruchtige zwermen over. Beneden hen lag een lappendeken van daken, doorsneden met keurig opeenvolgende rijen grachten en straten die dwars door alles heen leken te gaan. Bruggen verbonden op regelmatige afstand van elkaar de kades en hielden de stad als het ware hand in hand bij elkaar. Woonboten en rondvaartboten lagen nog in diepe rust langs de wal. Verder weg dobberde de veerboot over het IJ. De verwaaide tonen van een carillon waren vaag hoorbaar, een meeuw maakte sierlijk een boog naar de gracht.
Op straat klingelde de eerste tram, de kraamhouders van de Albert Cuypmarkt stalden hun kazen en rollen textiel uit. Tentstaven werden opgezet, metaal schraapte over de stoep, kisten groenten en fruit werden met een klap afgeladen. Met luide stemmen begroetten de marktlui elkaar en de nieuwe dag. Hun stemmen kaatsten tegen de gevels omhoog. De klank steeg naar stillere verdiepingen. De meeste bewoners lagen nog te slapen.
Schoenen knerpten over het grind op het plat. Het dak was droog, dat bood goed houvast.  Hij speurde de omgeving af. Roodbruine dakpannen en leigrijze daken strekten zich uit als een stenen woud. Driehoekige blokken die zij aan zij met de hellende kanten aaneengesloten lagen, slechts gescheiden door een reep metaal of een dakgoot. Waar de daken haaks tegen elkaar lagen, bood een aangebouwd tussenmuurtje uitweg. Alsof de bouwers eraan gedacht hadden hem een steuntje voor zijn afsprong te bieden.
Bij de dakrand hield hij halt. Clyde keek naar het andere huis. Een moment schatte de runner de afstand. Toen boog hij door de knieën, zette krachtig af en sprong.
Van beneden af keek een marktvrouw omhoog en zag hem. Het geluid van haar schreeuw volgde hem door de lucht.
Met een bons landde hij, gehurkt om de schok op te vangen. Snel rende hij over het dak verder. Nu hij was opgemerkt moest hij zo vlug mogelijk uit het zicht zien te raken. Hij klauterde over dakpannen, balanceerde in een dakgoot. Het was een geluk dat in de wijk De Pijp de huizen zo dicht tegen elkaar aan lagen.
De ongewenste ontdekking zorgde voor nog meer adrenaline, zijn hartslag en ademhaling versnelden, zijn concentratie spitste zich toe op de getrainde bewegingen van zijn lijf en ledematen. In een fractie van seconden schatte hij afstanden, obstakels en mogelijkheden, sprong over schoorstenen, zette zich af tegen zolderluiken, zeilde door de lucht van dak naar dak. Zijn vingertoppen haakten aan richels en uitsteeksels, vonden houvast en duwden weer af, voort.
Eindelijk hield hij hijgend halt. Wachtte gehurkt achter het muurtje van een deels plat dak, tot hij weer op adem was gekomen. Intussen was hij alert op geluiden uit de omgeving. Geen ander lawaai dan dat van het verkeer. Mooi, het was gelukt; hij was weg voor hij goed en wel gezien was. Natuurlijk was het verboden te freerunnen op andermans dak, maar hoe kon hij de verleiding weerstaan? Alleen de vogels wisten wat anderen daar beneden nooit zouden begrijpen.
Voorzichtig kwam hij overeind en speurde rond. Hij bevond zich temidden van een landschap van daken. De ochtendkou werd langzamerhand verdreven door de zonnestralen. Hij had het warm gekregen. Clyde maakte de rits van zijn trainingspak open en verschoof zijn polsbanden. De ribbels kroeshaar waren zo kort geknipt dat je de huid erdoorheen zag glimmen. Net zeventien jaar geworden lag de wereld voor hem open, letterlijk en figuurlijk, hij kon de stad aan zijn voeten zien liggen. De adrenaline werkte nog na en hij spreidde zijn armen in extase, omhelsde wat onbereikbaar was, hemel en aarde. Met zijn ogen dicht en zijn hoofd omhoog geheven, voelde hij het leven door zich heen stromen, glimlachte.
Een tiental meters verder fladderden opeens duiven klapwiekend omhoog. Aha, daar moest Hadir zijn gearriveerd. Clyde zag de runner naderbij komen over de daken, af en toe uit het zicht gerakend door de grillige route.
´Fa waka!` Hadir dook op vanachter een luchtkoker. Zijn open gezicht straalde van plezier. Zo te zien had ook hij genoten van zijn ochtendsprint over de daken. Hij droeg een joggingbroek met T-shirt en zwarte, vingerloze handschoenen. In tegenstelling tot Clyde had hij geen boodschap aan de mode van het kaal scheren. Zijn lange haar was samengebonden onder een petje.
´Clyde, my man!` De jongens begroetten elkaar door hun gesloten rechtervuisten tegen elkaar aan te boksen. ´Alles chill?`
Het was prettig om nog voor de school begon, getraind te hebben. Gelukkig waren ze  vroege vogels. Thuis had niemand gevraagd wat ze gingen doen, daar dachten ze dat de jongens gingen trainen in het Sarphatipark. Dat was ook zo, daar begonnen ze met hun warming-up. Daarna volgde het echte werk, maar dat wist niemand. Straks zouden ze hun schooltassen thuis oppikken, en dan vlug naar school.
´Yep! Let´s go!` Ze zetten zich schrap en begonnen gezamenlijk over het vlakke dak te sprinten, maakten tegelijk een salto en landden op het volgende dak. Opgetogen door hun prestatie deelden ze een high five. Maar nu bevonden ze zich op nieuw gebied.
Hier moesten ze oppassen want het dak werd bewoond, er hing wasgoed te drogen. Ze slopen achter de breed uitgehangen lakens langs. Toen ze de waslijn bijna gepasseerd waren, klonk opeens het geluid van een openslaand luik. Vlug schoten ze voorbij, nog net onzichtbaar achter het wasgoed. Er klom iemand naar buiten, gelukkig had die het te druk met een grote wasmand door het luik te duwen, om hen meteen in het oog te krijgen. Clyde seinde Hadir dat ze via de naastliggende dakkapel zouden afdalen.
De jongens probeerden zich zo geluidloos mogelijk naar het aangrenzende lager gelegen dak te verplaatsen, hun ogen gericht op de vrouw die door het zolderluik was geklauterd  en met de rug naar hen toe stond. Voorzichtig slopen ze verder van haar vandaan, mikkend op de dakrand. Een geluk dat het schuiven van de wasmand op het grind een zwaar schrapend geluid maakte, dat het gekners van hun voetstappen overstemde. Ze waagden de sprong naar het lagere dak. Nu was het zaak vlug uit het zicht te verdwijnen, vóór de vrouw op het geluid van de plof af zou komen. Clyde zwaaide van de dakkapel af, zette zijn voeten op de vensterrand ervoor. Hadir volgde als een schaduw.
Een droge kuch klonk achter hen. Te laat bedachten ze dat ze nu frontaal voor het raam van de dakkapel stonden. Door het raam was een zolderkamer te zien, waarin ze een man ontwaarden. Wat een geluk dat de man zich net aankleedde en zijn trui over zijn hoofd had! Clyde en Hadir doken opzij en maakten dat ze weg kwamen. Deze route was veel te riskant.
De man in de kamer had zijn kleren nu aan en staarde onzeker naar het raam. Aarzelend liep hij naar het venster en gluurde naar buiten. De zon scheen helder.