Fragment uit historische roman De Zwarte Lord
525 blz. LM Publishers, Amsterdam                                                                           
Hardcover met leeslint of paperback, prijs EU 24,95  Bestellen Bol.com
Als e-book EU 15,-   Bestellen e-book


De benedendeur stond open en wierp wat licht in het donkere trappenhuis. Zoals in de brief was vermeld, moest ik me naar de tweede etage begeven. Ik beklom de schemerige trappen, mijn rokken met een hand vasthoudend om niet op de smalle treden te struikelen. Bovengekomen trof ik een kale overloop aan, met een bank voor een gesloten deur. Op de bank zat een vrouw van middelbare leeftijd te wachten. Mijn oog viel op haar keurige, wat buitenlands ogende kleding; een strooien bonnet die met een lint om haar kin was vastgeknoopt, een blauw fluwelen jak met opvallende sierknopen en een wijde gestreepte zijden rok. Toen ze mij vriendelijk groette, bemerkte ik haar Engelse accent. De moed zonk me in de schoenen. In de advertentie was gevraagd om een gouvernante die de Engelse taal beheerste. Hoe zou ik de vergelijking kunnen doorstaan met een gedistingeerde Engelse?

Op dat moment ging de deur open. Een mollige vrouw met een rode gelaatskleur verscheen in de deuropening. Een paar losgeschoten pieken haar vielen langs haar gezicht. Haar kleding leek te krap of te warm voor de tijd van het jaar, waardoor ze een verhitte en wat slordige indruk maakte. De heer die achter haar opdoemde, nam afscheid van haar met de nietszeggende uitdrukking op zijn gezicht die ik door ervaring als afwijzing had leren herkennen. Toen hij zich naar voren boog en de Engelse ontwaarde, verhelderde zijn gezicht. Met een elegante beweging rees de dame naast mij op en liet zich binnen noden. Terwijl de deur zich achter mijn concurrente sloot, ging de vorige sollicitante puffend en hijgend de trap af. Ik bleef achter in de wachtruimte en luisterde naar de geluiden die van kantoren op andere etages kwamen. Mannenstemmen, gelach, af en toe het schuiven van een stoel. Ik had niet veel hoop, maar was al zo ver gereisd dat ik mijn afspraak net zo goed kon nakomen.
Plots hoorde ik de Engelse haar stem verheffen. Erachter klonken sussende geluiden en nog een derde persoon, op wat afgemeten toon. Ik kon niet verstaan wat ze zeiden, maar de geluiden verplaatsten zich naar de deur en even later vloog deze open. Mijn concurrente kwam verontwaardigd naar buiten, haar ongenoegen uitend: 'This is ridiculous! And to think I have traveled a good distance just to be insulted! I am not into charity, Sir, I make an honest living educating children, not savages !'
Zonder acht te slaan op de stamelende man in de deur, stevende de vrouw naar de trap om die met klinkende stappen af te dalen. Verbaasd staarde ik naar de man die verward terugkeek, zich vervolgens herstelde en zijn rug rechtend en buik vooruit stekend, mij uitnodigde binnen te komen.
In de kamer stonden een sofa en een paar beklede stoelen op een groot, verschoten vloerkleed. Een schrijfbureau en een paar kasten completeerden het kantoorinterieur. Door de ramen aan de voorkant viel het daglicht naar binnen. Op de sofa zat een magere vrouw van ongeveer midden twintig, enigszins zuur te kijken. Ze was weinig opvallend gekleed en maakte een strenge indruk. De man stelde zich voor: 'Frederik van Roepel, directeur van de plantage Lemuel, in dienst van de heer Blackwell.'

Terwijl ik de informatie in me op trachtte te nemen, wendde hij zich naar de dame en zei: 'Mijn zuster Augusta van Roepel.' Opgelucht dat ik niet had geblunderd door haar als zijn echtgenote aan te spreken, neeg ik licht en stelde mezelf voor. Nadat we allen waren gaan zitten stak de heer van Roepel van wal. Hij was tamelijk gezet en begon bovenop al te kalen. Zijn gebruinde gezicht werd door een forse snor gedomineerd. Ik schatte hem een eind in de dertig. Aan zijn onderzoekende blikken bemerkte ik dat hij mij eveneens trachtte te beoordelen. Onmerkbaar trok ik mijn kleding wat rechter en hoopte niet al te ongunstig uit te vallen. Naar juffrouw van Roepel durfde ik me nog niet te richten, onzeker over welke rol zij in dit gesprek had.
'Juffrouw Winter,' begon Frederik van Roepel gewichtig, 'In uw brief maakte u al melding van uw vaardigheden en uw interesse in het buitenland. Wat mij echter nog onbekend was, is uw overduidelijk jeugdige leeftijd.'

Schuldbewust bedacht ik dat ik dit feit met opzet uit mijn brief had weggelaten, uit angst bij voorbaat afgewezen te worden. Ik zweeg, en hij vervolgde: 'Maar u ziet eruit als een flinke jongedame. Vertelt u eens, bent u goed gezond? Hoe staat u tegenover ontberingen van de tropen?'
Ik verzekerde de heer van Roepel dat ik sterk en gezond was, en ondanks mijn jeugd voldoende overwicht op mijn pupillen kon doen gelden. Dit scheen hem veel genoegen te doen want hij beaamde gretig dat het voordeel van jongelui was, dat ze zich gemakkelijker aan de omgeving konden aanpassen. Toen werd hij weer ernstig en zei: 'Uw pupil is een jongen van zeventien jaar. Hij is tevens mijn opdrachtgever.'

Verbaasd bleef ik zwijgen. Voor oudere jongens werd doorgaans een huisleraar aangenomen, immers, wat moesten zij met zang- en borduurlessen? Voor ik een vraag kon stellen ging van Roepel verder: 'En hij is een neger.'
Nu had ik helemaal tijd nodig alles te verwerken. Voor mijn geestesoog doemde de afbeelding op van de wilde, die ik in een geïllustreerde atlas was tegengekomen. Zwart, grof en onbeschaafd. Gewapend met schild en speer, gehuld in een luipaardvel, het gezicht met dreigende strepen beschilderd. Dit beeld was niet op een of andere manier te rijmen met dat van de opdrachtgever van de gezette heer van Roepel in zijn geruite vest en bruine jas. Ik wist een opborrelende lach te bedwingen, maar vreesde dat mijn gezicht toch een dwaze grijns vertoonde.
Toen Frederik van Roepel merkte dat ik niet onmiddellijk in angst of verontwaardiging het pand verliet, ging hij vlug door. 'Laat me het uitleggen. Ik werkte jaren voor de heer Wellington, een Engelsman die een plantage in Suriname gekocht had. Anders dan de meeste eigenaars, woonde deze planter ook werkelijk op zijn bezit en bestierde het persoonlijk, met hulp van mij, natuurlijk', vergat hij niet eraan toe te voegen met een blik die duidelijk maakte dat zijn kennis onontbeerlijk was. 'De heer Wellington had een verhouding met een slavin en verwekte bij haar een zoon.' Hier keek hij wat ongemakkelijk, zich ervan bewust dat onzedelijke praat niet voor de oren van jongedames bestemd was. Juffrouw van Roepel die tot nu toe gezwegen had, liet een afkeurend geluid horen. 'Wellington voedde de jongen in zijn huis op, maar leek niet veel aandacht voor hem te hebben. Drank en afzondering werkten niet bevorderlijk voor zijn gezondheid. Toch, ondanks zijn schijnbare onverschilligheid, kocht hij de jongen vrij en liet hem ook zijn bezittingen na. Op zestienjarige leeftijd erfde hij zijn vaders vermogen.'
Nog altijd kon ik me geen beeld vormen van de pupil die de heer van Roepel voor ogen had. De man zelf leek ook niet erg op zijn gemak met de hem toevertrouwde opdracht. 'Wat is zijn voornaam?' vroeg ik om ook maar iets te zeggen.
'Walther.' antwoordde de directeur. 'Walther Blackwell.' Met een gepijnigde uitdrukking op zijn gezicht hernam hij: 'Het is de gewoonte dat vrijgemaakte slaven een deel van de naam van hun weldoener aannemen. Hij had Wells kunnen heten, of Welford of voor mijn part Welton. Maar hij koos voor Blackwell. Je reinste provocatie, als je het mij vraagt!'
In de afgelopen minuten was zoveel nieuwe informatie over me uitgestort, exotisch, maar tegelijkertijd zo vanzelfsprekend voor de verteller en zijn zuster, dat ik me een beetje wereldvreemd begon te voelen. In een poging weer op bekend terrein te komen stelde ik de vraag die in al mijn sollicitatiegesprekken van pas kwam. 'Hoe is zijn karakter?'
'Ah!' De heer van Roepel wreef zich over zijn knokkels alsof het hem moeite kostte zich tegenover zijn pupil, tevens zijn opdrachtgever, in te houden. Hij stond op en begon al pratende te ijsberen terwijl zijn zuster met toegeknepen ogen zijn bewegingen volgde. 'Walther is slim en heeft zich in korte tijd onze beschaving eigen gemaakt. Hij heeft zelfs zozeer de manieren van deftige blanken overgenomen, dat hij wel spottend 'de Zwarte Lord' genoemd wordt. Maar nog is het hem niet genoeg. Hij wil iemand die hem helpt zich verder te ontwikkelen en heeft zodoende bij de zaken die ik in Nederland moest afhandelen, de opdracht gevoegd een gouvernante mee te nemen.'  

Hij pauzeerde en ik wendde mijn gezicht naar Augusta van Roepel. 'Mijn zuster is geen gouvernante, juffrouw,' zei de directeur die tegenover mij naast zijn zuster ging zitten en mijn blik onderschepte. 'Bovendien kunnen Walther en zij slecht met elkaar opschieten.' Hier kneep de vrouw haar lippen nog vaster opeen. 'Oh maar,' zei ik vlug verontschuldigend, hopend dat ze niet gekwetst was door mijn veronderstelde vraag, 'Ik vroeg me af waarom er niet voor een huisleraar gekozen is?'

Nu nam Augusta van Roepel het woord. 'Huisleraren vervallen in de tropen gemakkelijk in verkeerde gewoonten. De ervaring leert dat we van vrouwen minder te vrezen hebben wat betreft drankzucht ... en ander onbehoorlijk gedrag ´ besloot ze met zo'n misprijzende uitdrukking op het gelaat, dat ik de indruk kreeg dat zij de slechte ervaringen persoonlijk had ondervonden.

Mijnheer van Roepel leek gegeneerd. Hij kuchte even en stelde toen: 'Uw bekwaamheden zoals vermeld in uw brief, voldoen aan Walthers eisen. U bent wel nog jong, maar mijn zuster en ik kunnen u bijstaan als uw leerling last zou geven.' Beiden keken mij verwachtingsvol aan. Ik dacht na.

Gedurende het gesprek was Walther Blackwell van een halfnaakte wilde in een Zwarte Lord veranderd. In een leergierige pupil. Dat sprak me wel aan. Maar... een jongen, en dan nog slechts vijf jaar jonger dan ik - ik was nu tweeëntwintig.

Aan de andere kant - wat had ik te verliezen? Een betrekking overzee betaalde beter dan in Nederland, zodat ik meer zou kunnen sparen. Ik zou meer van de wereld zien, veel leren en daardoor bij terugkeer een degelijke gouvernante zijn, die gaarne door ouders in de arm genomen werd om hun kroost te helpen vormen. Om nog maar niet te spreken over mijn conversatiestof voor in de salon, nuttig als ik op latere leeftijd gezelschapsdame zou worden.

Ik hief mijn hoofd en sprak: 'De betrekking is voor twee jaar, is het niet?'

De gezichten tegenover mij klaarden op. Frederik van Roepel veerde overeind en reikte me de hand. 'Ik heb het gevoel dat we goed samen zullen kunnen werken!' riep hij uit. Ook zijn zuster glimlachte nu en gaf me een hand. 'Het lijkt me het beste,' ging van Roepel verder, 'dat Augusta u verder begeleidt met uw uitrusting. U heeft zes weken tijd voor de voorbereidingen. Eind juni vertrekken we. Uw salaris zal zeshonderd gulden per jaar bedragen. De kosten van de uitrusting en de overtocht worden natuurlijk vergoed. Ik zal alle papieren in orde maken.'